Deze set oefent woordenschat en zinnen over wonen, eten en persoonlijke ervaringen in het Engels.
Roof
dak
Trail
pad, route
Cast
gips
Street
straat
Asian food
Aziatisch eten
Vegetarian sushi
vegetarische sushi
Fried
gebakken, gefrituurd
Noodles with meat
noedels met vlees
Home town
geboorteplaats
Bones
botten
Injuries
verwondingen, blessures
Army
leger
Hostel
hostel, jeugdherberg
Light rail
lightrail, sneltram
Immigrants
immigranten
Opinion
mening
Stranger
onbekende, vreemde
Lake
meer
Ice skating
schaatsen
Weight
gewicht
Wrist
pols
To fall
vallen
To get fat
dik worden, aankomen
To tie
binden, vastbinden
Café
café
I broke my wrist last year.
Ik heb vorig jaar mijn pols gebroken.
I fell on the wet street.
Ik viel op de natte straat.
The doctor put a cast on my leg.
De dokter zette mijn been in het gips.
I hurt my bones in the accident.
Ik heb mijn botten bezeerd bij het ongeluk.
She had many injuries after the fall.
Ze had veel verwondingen na de val.
We walked along the trail near the lake.
We liepen langs het pad bij het meer.
I served in the army for three years.
Ik heb drie jaar in het leger gediend.
My grandparents were immigrants from Poland.
Mijn grootouders waren immigranten uit Polen.
A stranger helped me find my way.
Een onbekende hielp me de weg te vinden.
I gave my opinion about the new restaurant.
Ik gaf mijn mening over het nieuwe restaurant.
We ate Asian food in the market.
We aten Aziatisch eten op de markt.
I ordered vegetarian sushi for dinner.
Ik bestelde vegetarische sushi voor het avondeten.
The noodles with meat were delicious.
De noedels met vlees waren heerlijk.
I ate fried fish at the beach.
Ik at gebakken vis op het strand.
I got fat during the winter.
In de winter ben ik aangekomen.
We went ice skating on the lake.
We gingen schaatsen op het meer.
They tied the boat to the roof of the car.
Ze bonden de boot vast aan het dak van de auto.
The wind damaged the roof of our house.
De wind beschadigde het dak van ons huis.
I stayed in a hostel in Amsterdam.
Ik verbleef in een hostel in Amsterdam.
I took the light rail to the city center.
Ik nam de lightrail naar het stadscentrum.
I met a stranger at the café.
Ik leerde een onbekende kennen in het café.
We sat in the café near my home town.
We zaten in het café bij mijn geboorteplaats.
I visited my home town after many years.
Ik bezocht mijn geboorteplaats na vele jaren.
The weight of the bag hurt my back.
Door het gewicht van de tas kreeg ik rugpijn.
I lost weight after the injury.
Ik viel af na de blessure.
My friend was an immigrant who found a new home.
Mijn vriendin was een immigrant die een nieuw thuis vond.
I formed my opinion after I talked to a stranger.
Ik vormde mijn mening nadat ik met een onbekende had gesproken.
We hiked the trail until it started to rain.
We wandelden over het pad totdat het begon te regenen.
I broke a bone when I fell off my bike.
Ik brak een bot toen ik van mijn fiets viel.
The army sent soldiers to help after the storm.
Het leger stuurde soldaten om te helpen na de storm.