Leer hoe je verslag doet van wat anderen hebben gezegd. Zinnen met said, told, asked. Tijd- en grammaticale veranderingen in indirecte rede.
She said, "I am tired." → She said she was tired.
Zij zei: "Ik ben moe." → Zij zei dat zij moe was.
He told me, "I will come tomorrow." → He told me he would come the next day.
Hij zei tegen mij: "Ik kom morgen." → Hij zei tegen mij dat hij de volgende dag zou komen.
She asked, "Where are you going?" → She asked where I was going.
Zij vroeg: "Waar ga je heen?" → Zij vroeg waar ik heen ging.
They said, "We have finished." → They said they had finished.
Zij zeiden: "We zijn klaar." → Zij zeiden dat zij klaar waren.
He said, "I like pizza." → He said he liked pizza.
Hij zei: "Ik hou van pizza." → Hij zei dat hij van pizza hield.
She told him, "Don't be late." → She told him not to be late.
Zij zei tegen hem: "Wees niet te laat." → Zij zei tegen hem dat hij niet te laat moest zijn.
They asked, "Can you help us?" → They asked if I could help them.
Zij vroegen: "Kun je ons helpen?" → Zij vroegen of ik hen kon helpen.
He said, "I was sleeping." → He said he had been sleeping.
Hij zei: "Ik sliep." → Hij zei dat hij had geslapen.
She asked, "What did you do?" → She asked what I had done.
Zij vroeg: "Wat heb je gedaan?" → Zij vroeg wat ik had gedaan.
They said, "We will never do this." → They said they would never do that.
Zij zeiden: "We zullen dit nooit doen." → Zij zeiden dat zij dat nooit zouden doen.
He told her, "You look beautiful." → He told her she looked beautiful.
Hij zei tegen haar: "Je ziet er prachtig uit." → Hij zei tegen haar dat zij er prachtig uitzag.
She said, "I have already eaten." → She said she had already eaten.
Zij zei: "Ik heb al gegeten." → Zij zei dat zij al had gegeten.
They asked, "Are you coming tonight?" → They asked if I was coming that night.
Zij vroegen: "Kom je vanavond?" → Zij vroegen of ik die avond kwam.
He said, "I can speak three languages." → He said he could speak three languages.
Hij zei: "Ik kan drie talen spreken." → Hij zei dat hij drie talen kon spreken.
She asked, "Do you remember me?" → She asked if I remembered her.
Zij vroeg: "Herinner je je mij nog?" → Zij vroeg of ik me haar nog herinnerde.
They said, "We might come tomorrow." → They said they might come the next day.
Zij zeiden: "We komen misschien morgen." → Zij zeiden dat zij misschien de volgende dag zouden komen.
He told me, "Call me later." → He told me to call him later.
Hij zei tegen mij: "Bel me later." → Hij zei tegen mij dat ik hem later moest bellen.
She said, "This tastes good." → She said it tasted good.
Zij zei: "Dit smaakt goed." → Zij zei dat het goed smaakte.
They asked, "How much does it cost?" → They asked how much it cost.
Zij vroegen: "Hoeveel kost het?" → Zij vroegen hoeveel het kostte.
He said, "I haven't seen him recently." → He said he hadn't seen him recently.
Hij zei: "Ik heb hem de laatste tijd niet gezien." → Hij zei dat hij hem de laatste tijd niet had gezien.
She asked, "Why didn't you come yesterday?" → She asked why I hadn't come the previous day.
Zij vroeg: "Waarom ben je gisteren niet gekomen?" → Zij vroeg waarom ik de vorige dag niet was gekomen.
They said, "We must go now." → They said they had to go.
Zij zeiden: "We moeten nu gaan." → Zij zeiden dat zij moesten gaan.
He told her, "I love you." → He told her he loved her.
Hij zei tegen haar: "Ik hou van je." → Hij zei tegen haar dat hij van haar hield.
She asked, "When will you arrive?" → She asked when I would arrive.
Zij vroeg: "Wanneer kom je aan?" → Zij vroeg wanneer ik zou aankomen.
They said, "We should probably leave soon." → They said they should probably leave soon.
Zij zeiden: "We moeten waarschijnlijk zo vertrekken." → Zij zeiden dat zij waarschijnlijk zo moesten vertrekken.
He said, "I would have helped if you had asked." → He said he would have helped if I had asked.
Hij zei: "Ik had je geholpen als je het had gevraagd." → Hij zei dat hij me had geholpen als ik het had gevraagd.
She asked, "Which one do you prefer?" → She asked which one I preferred.
Zij vroeg: "Welke vind je beter?" → Zij vroeg welke ik beter vond.
They said, "We are working on a new project." → They said they were working on a new project.
Zij zeiden: "We werken aan een nieuw project." → Zij zeiden dat zij aan een nieuw project werkten.
He told me, "I don't want to go there." → He told me he didn't want to go there.
Hij zei tegen mij: "Ik wil daar niet heen." → Hij zei tegen mij dat hij daar niet heen wilde.
She asked, "Have you finished your work?" → She asked if I had finished my work.
Zij vroeg: "Heb je je werk afgemaakt?" → Zij vroeg of ik mijn werk had afgemaakt.
They said, "We hadn't thought about that." → They said they hadn't thought about that.
Zij zeiden: "We hadden daar niet over nagedacht." → Zij zeiden dat zij daar niet over hadden nagedacht.
He said, "I need your help." → He said he needed my help.
Hij zei: "Ik heb je hulp nodig." → Hij zei dat hij mijn hulp nodig had.
She asked, "What did he say?" → She asked what he had said.
Zij vroeg: "Wat zei hij?" → Zij vroeg wat hij had gezegd.
They said, "We used to live there." → They said they used to live there.
Zij zeiden: "We woonden daar vroeger." → Zij zeiden dat zij daar vroeger woonden.
He told her, "Don't worry about me." → He told her not to worry about him.
Hij zei tegen haar: "Maak je geen zorgen over mij." → Hij zei tegen haar dat zij zich geen zorgen over hem moest maken.
She asked, "Will you be there tomorrow?" → She asked if I would be there the next day.
Zij vroeg: "Ben je er morgen?" → Zij vroeg of ik er de volgende dag zou zijn.
They said, "It's too expensive." → They said it was too expensive.
Zij zeiden: "Het is te duur." → Zij zeiden dat het te duur was.
He said, "I'm going to travel next month." → He said he was going to travel the next month.
Hij zei: "Ik ga volgende maand reizen." → Hij zei dat hij de volgende maand zou reizen.
She asked, "How are you feeling?" → She asked how I was feeling.
Zij vroeg: "Hoe voel je je?" → Zij vroeg hoe ik me voelde.
They said, "We might have been wrong." → They said they might have been wrong.
Zij zeiden: "We hadden misschien ongelijk." → Zij zeiden dat zij misschien ongelijk hadden gehad.