Deze set oefent het gebruik van relatieve voornaamwoorden zoals who, whom, which, that, whose en where.
The student _______ won the competition lives in Eindhoven.
who (Regel: gebruik who als het betrekkelijk voornaamwoord het onderwerp is en zelf de handeling uitvoert)
The book _______ you lent me yesterday is very interesting.
that (Regel: Je beschrijft een ding, en er staat geen komma voor de lege plek)
This is the classroom _______ we take our English exams.
where (Regel: je beschrijft een plaats, en na de lege plek volgt een onderwerp dat daar iets doet)
I met a woman _______ daughter plays the piano beautifully.
whose (Regel: De dochter behoort tot de vrouw)
The doctor _______ treated my grandfather was very professional.
who (Regel: gebruik who als het betrekkelijk voornaamwoord het onderwerp is en zelf de handeling uitvoert)
The coffee shop _______ opens at 6:00 AM serves great pastries.
that (Regel: je beschrijft een plaats, maar direct na de lege plek komt een werkwoord)
That is the beach _______ we always go during the summer.
where (Regel: je beschrijft een plaats, en na de lege plek volgt een onderwerp dat daar iets doet)
The actor _______ I met yesterday was very polite.
whom (Regel: gebruik whom als het betrekkelijk voornaamwoord het lijdend voorwerp is en een ander onderwerp de handeling uitvoert)
A laptop _______ does not have a good battery is useless.
that (Regel: Je beschrijft een ding, en er staat geen komma voor de lege plek)
The teacher _______ car broke down arrived late to school.
whose (Regel: De auto behoort tot de leraar)
The man _______ lives next door works at the hospital.
who (Regel: gebruik who als het betrekkelijk voornaamwoord het onderwerp is en zelf de handeling uitvoert)
The movie _______ we watched last night was scary.
that (Regel: Je beschrijft een ding, en er staat geen komma voor de lege plek)
This is the hotel _______ my family stayed last year.
where (Regel: je beschrijft een plaats, en na de lege plek volgt een onderwerp dat daar iets doet)
The workers _______ built this house did an excellent job.
who (Regel: gebruik who als het betrekkelijk voornaamwoord het onderwerp is en zelf de handeling uitvoert)
The dog _______ is barking outside belongs to my neighbor.
that (Regel: Je beschrijft een dier, en er staat geen komma voor de lege plek)
The manager _______ I called on the phone solved my problem.
whom (Regel: gebruik whom als het betrekkelijk voornaamwoord het lijdend voorwerp is en een ander onderwerp de handeling uitvoert)
A company _______ main office is in Amsterdam hired me.
whose (Regel: Het hoofdkantoor behoort tot het bedrijf)
The park _______ has a beautiful lake is near my house.
that (Regel: je beschrijft een plaats, maar direct na de lege plek komt een werkwoord)
The friend _______ phone was stolen reported it to the police.
whose (Regel: De telefoon behoort tot de vriend)
My new watch, _______ is gold, broke after two days.
which (Regel: er staat een komma voor de lege plek, dus het is een uitbreidende bijzin en dan gebruik je which)