Deze set oefent de 'present progressive' in het Engels, een werkwoordsvorm die wordt gebruikt voor acties die nu plaatsvinden of tijdelijk zijn.
She is reading a book right now.
Zij is nu een boek aan het lezen.
He is playing football at the moment.
Hij is op dit moment aan het voetballen.
The cat is sleeping on the sofa now.
De kat slaapt nu op de bank.
We are eating breakfast right now.
Wij zijn nu aan het ontbijten.
They are living in Amsterdam this year.
Ze wonen dit jaar in Amsterdam.
My brother is walking to school now.
Mijn broer loopt nu naar school.
She is singing in the shower right now.
Ze staat nu onder de douche te zingen.
He is drinking coffee at the moment.
Hij is op dit moment koffie aan het drinken.
The dog is running in the park now.
De hond rent nu in het park.
My mother is cooking dinner right now.
Mijn moeder is nu het avondeten aan het koken.
We are watching TV at the moment.
Wij zijn op dit moment tv aan het kijken.
The baby is crying right now.
De baby is nu aan het huilen.
She is working from home this week.
Zij werkt deze week vanuit huis.
They are speaking English right now.
Zij zijn nu Engels aan het spreken.
He is listening to music at the moment.
Hij is op dit moment naar muziek aan het luisteren.
We are swimming in the sea today.
Wij zijn vandaag in de zee aan het zwemmen.
She is smiling at me right now.
Zij lacht nu naar mij.
He is studying for a test this week.
Hij is deze week aan het leren voor een toets.
They are building a new house this year.
Zij bouwen dit jaar een nieuw huis.
I am learning English this semester.
Ik leer dit semester Engels.
She is wearing a red dress today.
Zij draagt vandaag een rode jurk.
He is talking on the phone right now.
Hij is nu aan het bellen.
We are waiting for the bus at the moment.
Wij wachten op dit moment op de bus.
The children are playing in the garden now.
De kinderen zijn nu in de tuin aan het spelen.
She is writing an email right now.
Zij is nu een e-mail aan het schrijven.
He is driving to work at the moment.
Hij rijdt op dit moment naar zijn werk.
They are having a meeting right now.
Ze zitten nu in een vergadering.
I am making a sandwich at the moment.
Ik ben op dit moment een boterham aan het maken.
She is taking a shower right now.
Zij is nu aan het douchen.
The teacher is explaining the lesson now.
De leraar legt nu de les uit.
We are visiting our grandparents this weekend.
Wij bezoeken dit weekend onze grootouders.
He is trying a new diet this month.
Hij probeert deze maand een nieuw dieet.
She is reading a lot these days.
Zij leest de laatste tijd veel.
They are traveling around Europe this summer.
Zij reizen deze zomer door Europa.
I am working on a big project this week.
Ik werk deze week aan een groot project.
He is sleeping right now, please be quiet.
Hij slaapt nu, wees alsjeblieft stil.
She is crying because she is sad.
Zij huilt omdat ze verdrietig is.
We are sitting in the classroom right now.
Wij zitten nu in het klaslokaal.
The birds are flying over the house at the moment.
De vogels vliegen op dit moment over het huis.
He is growing a beard these days.
Hij laat de laatste tijd een baard staan.