Leer de voltooid tegenwoordige tijd (Present Perfect) in het Engels met zinnen en regels. Voor het uitdrukken van een ervaring in het verleden die invloed heeft in het heden. Een essentiële set voor Nederlandstaligen.
I have worked here for three years.
Ik werk hier al drie jaar.
She has gone to the beach.
Zij is naar het strand gegaan.
They have played football.
Zij hebben gevoetbald.
Have you seen the movie?
Heb je de film gezien?
He has not understood.
Hij heeft het niet begrepen.
The sun has risen.
De zon is opgekomen.
What have you done today?
Wat heb je vandaag gedaan?
I have not eaten yet.
Ik heb nog niet gegeten.
She has bought a new car.
Zij heeft een nieuwe auto gekocht.
Have they called you?
Hebben zij je gebeld?
We have been to Paris.
Wij zijn in Parijs geweest.
They have not answered my calls.
Ze hebben mijn telefoontjes niet beantwoord.
Have you ever been to Amsterdam?
Ben je ooit in Amsterdam geweest?
My brother has started a new job.
Mijn broer is een nieuwe baan begonnen.
Have you finished your work?
Heb je je werk afgemaakt?
It has rained today.
Het heeft vandaag geregend.
She has not liked the food.
Zij heeft het eten niet lekker gevonden.
How long have you lived here?
Hoe lang woon je hier al?
They have traveled to many countries.
Zij hebben naar veel landen gereisd.
I have not known about this.
Ik heb hier niet van geweten.
He has lived in many cities.
Hij heeft in veel steden gewoond.
Have you enjoyed the party?
Heb je van het feest genoten?
The store has been open since 9 AM.
De winkel is sinds 9 uur 's ochtends open.
She has forgotten her keys several times.
Zij is haar sleutels meerdere keren vergeten.
What have they said?
Wat hebben zij gezegd?
I have not slept well lately.
Ik heb de laatste tijd niet goed geslapen.
Have you met him before?
Heb je hem eerder ontmoet?
The meeting has started.
De vergadering is begonnen.
He has not wanted to come.
Hij heeft niet willen komen.
Where have you worked?
Waar heb je gewerkt?
They have stayed in many hotels.
Zij hebben in veel hotels verbleven.
I have not expected this.
Ik had dit niet verwacht.
Have you found what you were looking for?
Heb je gevonden wat je zocht?
She has written many letters.
Zij heeft veel brieven geschreven.
The weather has been nice recently.
Het weer is de laatste tijd mooi geweest.
Have you heard the news?
Heb je het nieuws gehoord?
They have not believed me.
Zij hebben me niet geloofd.
I have broken my arm twice.
Ik heb mijn arm twee keer gebroken.
What has happened?
Wat is er gebeurd?
He has arrived finally.
Hij is eindelijk aangekomen.