Deze set oefent onregelmatige werkwoorden in de verleden tijd en het gebruik van de voorzetsels in, on en at.
go → went
gaan → ging
see → saw
zien → zag
eat → ate
eten → at
meet → met
ontmoeten → ontmoette
sleep → slept
slapen → sliep
drive → drove
rijden → reed
wake up → woke up
wakker worden → werd wakker
buy → bought
kopen → kocht
know → knew
weten / kennen → wist / kende
speak → spoke
spreken → sprak
leave → left
vertrekken / weggaan → vertrok / ging weg
write → wrote
schrijven → schreef
find → found
vinden → vond
think → thought
denken → dacht
make → made
maken → maakte
tell → told
vertellen → vertelde
hear → heard
horen → hoorde
sit → sat
zitten → zat
take → took
nemen → nam
give → gave
geven → gaf
come → came
komen → kwam
feel → felt
voelen → voelde
run → ran
rennen → rende
forget → forgot
vergeten → vergat
begin → began
beginnen → begon
I went to the city in August.
Ik ging in augustus naar de stad.
She stayed at a small hotel on a quiet street.
Zij verbleef in een klein hotel in een rustige straat.
We ate dinner at a restaurant in the old town.
Wij aten avondeten in een restaurant in de oude stad.
He met a traveller at the hostel on Tuesday.
Hij ontmoette dinsdag een reiziger in het hostel.
I slept on the plane and woke up at 5am.
Ik sliep in het vliegtuig en werd om 5 uur 's ochtends wakker.
She drove through the mountains in the morning.
Zij reed 's ochtends door de bergen.
We woke up at dawn on our last day.
Wij werden op onze laatste dag bij zonsopgang wakker.
He bought a souvenir at the market.
Hij kocht een souvenir op de markt.
I knew at that moment that I loved this place.
Op dat moment wist ik dat ik van deze plek hield.
She spoke to a local at the café.
Ze sprak in het café met iemand uit de buurt.
They left the hotel at 6am on Sunday.
Ze verlieten het hotel zondag om 6 uur 's ochtends.
I wrote in my journal every night.
Ik schreef elke avond in mijn dagboek.
We found a beach on the south side of the island.
Wij vonden een strand aan de zuidkant van het eiland.
I thought we were lost in the old city.
Ik dacht dat we verdwaald waren in de oude stad.
She sat next to a family on the train.
Ze zat in de trein naast een gezin.
He told me about it in the evening.
Hij vertelde me er 's avonds over.
I heard music in the square at midnight.
Om middernacht hoorde ik muziek op het plein.
We sat at the top of the tower in the rain.
We zaten in de regen boven op de toren.
She arrived at the airport at sunrise.
Ze kwam bij zonsopgang aan op het vliegveld.
The guide gave us a map at the entrance.
De gids gaf ons een kaart bij de ingang.
He visited us in the spring.
Hij bezocht ons in de lente.
I felt free on the first morning of the trip.
Ik voelde me vrij op de eerste ochtend van de reis.
She ran in the park on Tuesday.
Zij rende op dinsdag in het park.
I forgot my passport at the hotel.
Ik vergat mijn paspoort in het hotel.
The trip began on a Wednesday in March.
De reis begon op een woensdag in maart.
He travelled to Europe in 2014.
Hij reisde in 2014 naar Europa.
We celebrated New Year's Eve at a small café in 2020.
In 2020 vierden we oud en nieuw in een klein café.
She graduated from university in 2017.
Zij studeerde in 2017 af aan de universiteit.
They moved to a new apartment on Main Street in 2019.
Zij verhuisden in 2019 naar een nieuw appartement aan Main Street.
I visited my grandparents at their house in 2012.
In 2012 bezocht ik mijn grootouders bij hen thuis.