Oefen Engelse onregelmatige werkwoorden in de verleden tijd (past simple): 40 interactieve flashcards en quizzen met Nederlandse vertalingen, gratis op SpeakBase.
I went to work early.
Ik ging vroeg naar mijn werk.
She came home late.
Zij kwam laat thuis.
He saw his friends yesterday.
Hij zag gisteren zijn vrienden.
We ate dinner together.
Wij aten samen avondeten.
They drank coffee after lunch.
Zij dronken koffie na de lunch.
I took the bus to school.
Ik nam de bus naar school.
She gave me a nice gift.
Zij gaf me een mooi cadeau.
He got a new job.
Hij kreeg een nieuwe baan.
We made a big cake.
Wij maakten een grote taart.
They wrote a long email.
Zij schreven een lange e-mail.
I read an interesting book.
Ik las een interessant boek.
She spoke with the manager.
Zij sprak met de manager.
He told me the truth.
Hij vertelde me de waarheid.
We said goodbye.
Wij zeiden gedag.
They found a good restaurant.
Zij vonden een goed restaurant.
I bought a new phone.
Ik kocht een nieuwe telefoon.
She brought her laptop.
Zij bracht haar laptop mee.
He thought about the problem.
Hij dacht na over het probleem.
We knew the answer.
Wij wisten het antwoord.
They felt very happy.
Zij voelden zich erg blij.
I met my teacher yesterday.
Ik kwam gisteren mijn leraar tegen.
She left the office at five.
Zij verliet het kantoor om vijf uur.
He lost his keys.
Hij verloor zijn sleutels.
We kept the secret.
Wij hielden het geheim.
They paid by credit card.
Zij betaalden met een creditcard.
I ran in the park.
Ik rende in het park.
She slept for eight hours.
Zij sliep acht uur lang.
He sat next to me.
Hij zat naast me.
We stood outside.
Wij stonden buiten.
They won the game.
Ze wonnen de wedstrijd.
I drove to the airport.
Ik reed naar het vliegveld.
She began a new course.
Zij begon aan een nieuwe cursus.
He became a doctor.
Hij werd dokter.
We sent the documents yesterday.
We verstuurden gisteren de documenten.
They heard a strange noise.
Zij hoorden een vreemd geluid.
I chose the blue shirt.
Ik koos het blauwe shirt.
She wore a beautiful dress.
Zij droeg een mooie jurk.
He broke his glasses.
Hij brak zijn bril.
We forgot the address.
Wij vergaten het adres.
They understood the question.
Zij begrepen de vraag.