Deze set oefent de Past Simple (verleden tijd) in het Engels, inclusief vragen en regelmatige werkwoorden.
Was I....?
Was ik ....?
Was he....?
Was hij ....?
Were you.....?
Was jij ...? / Waren jullie ...?
Was she....?
Was zij ...?
Were we....?
Waren wij....?
Was it....?
Was het....?
Were they.....?
Waren zij.....?
I was
Ik was
You were
Jij was / Jullie waren
We were
Wij waren
She was
Zij was
He was
Hij was
It was
Het was
Did I...?
Heb ik ...? (vraag over iets wat ik deed)
Did we...?
Hebben wij ...? (vraag over iets wat we deden)
Did you...?
Heb jij ...? / Hebben jullie ...? (vraag over iets wat je deed)
Did they...?
Hebben zij ...? (vraag over iets wat ze deden)
Did he...?
Heeft hij ...? (vraag over iets wat hij deed)
Did she...?
Heeft zij ...? (vraag over iets wat zij deed)
Did it...?
Heeft het ...? (vraag over iets wat het deed)
Did you work hard?
Heb je hard gewerkt?
Did we learn math?
Hebben we wiskunde geleerd?
Did they like the movie?
Vonden zij de film leuk?
Did she work hard?
Heeft zij hard gewerkt?
Did he learn math?
Heeft hij wiskunde geleerd?
Did it eat lettuce?
Heeft het sla gegeten?
Did I work hard?
Heb ik hard gewerkt?
When did you have work today?
Hoe laat moest je vandaag werken?
Where did she go on Fridays?
Waar ging zij op vrijdag naartoe?
How did he do that?
Hoe deed hij dat?
How did it work?
Hoe werkte het?
Where did she think it is?
Waar dacht zij dat het was?
snowed (d)
sneeuwde
played (d)
speelde
Arrived (d)
kwam aan
relied (d)
vertrouwde op
replied (d)
antwoordde
waited (ed)
wachtte
created (ed)
creëerde
decided (ed)
besloot
pretended (ed)
deed alsof
commented (ed)
reageerde
folded (ed)
vouwde
cooked (t)
kookte
wished (t)
wenste
worked (t)
werkte
passed (t)
passeerde, slaagde (voor)
asked (t)
vroeg