Deze set oefent de Past Simple (verleden tijd) in het Engels, met de focus op onregelmatige werkwoorden en zinsconstructies.
I ate breakfast early this morning.
Ik heb vanochtend vroeg ontbeten.
He drove his car to work yesterday.
Hij reed gisteren met zijn auto naar zijn werk.
She went to the store last night.
Zij ging gisteravond naar de winkel.
They saw a movie at the cinema last weekend.
Zij hebben vorig weekend een film gezien in de bioscoop.
We flew to Europe for vacation last year.
Wij zijn vorig jaar op vakantie naar Europa gevlogen.
He drank too much coffee this morning.
Hij heeft vanochtend te veel koffie gedronken.
She sang a beautiful song at the concert last week.
Zij zong vorige week een prachtig lied op het concert.
They wrote a letter to their grandparents last month.
Zij schreven vorige maand een brief aan hun grootouders.
I swam in the ocean during my vacation.
Ik heb tijdens mijn vakantie in zee gezwommen.
He took a long walk in the park yesterday afternoon.
Hij heeft gistermiddag een lange wandeling in het park gemaakt.
She bought a new dress for the party last weekend.
Zij kocht vorig weekend een nieuwe jurk voor het feest.
They ran a marathon last year.
Zij hebben vorig jaar een marathon gelopen.
We spoke to our friends on the phone yesterday.
Wij hebben gisteren met onze vrienden aan de telefoon gesproken.
He ate a slice of pizza for lunch.
Hij at een stuk pizza als lunch.
She slept for eight hours last night.
Zij heeft vannacht acht uur geslapen.
They taught me how to ride a bike when I was a child.
Zij leerden mij fietsen toen ik een kind was.
I caught a cold last winter.
Ik heb vorige winter kou gevat.
He thought about the problem for a long time.
Hij dacht lang na over het probleem.
She drew a picture of her cat.
Zij maakte een tekening van haar kat.
They fought over a toy when they were kids.
Zij vochten om een speeltje toen ze kinderen waren.
She broke his video game.
Zij heeft zijn videospel kapotgemaakt.
Why did you break his video game?
Waarom heb je zijn videospel kapotgemaakt?
Who built the pyramids?
Wie heeft de piramides gebouwd?
built
bouwde
Did they build it together?
Hebben zij het samen gebouwd?
caught
ving
I caught the ball.
Ik ving de bal.
Did he catch the ball?
Heeft hij de bal gevangen?
came
kwam
drank
dronk
Did you drink any coffee?
Heb je koffie gedronken?
ate
at
fell
viel
The ball fell fast.
De bal viel snel.
lost
verloor
slept
sliep
I slept well.
Ik sliep goed.
gave
gaf
I gave her the key.
Ik gaf haar de sleutel.
I did not give her my car.
Ik heb haar mijn auto niet gegeven.
went
ging
We went home.
Wij gingen naar huis.
had
had
He had a friend.
Hij had een vriend.
I have never heard of it.
Ik heb er nog nooit van gehoord.
I did not hear it.
Ik heb het niet gehoord.
Did you hear of....?
Heb je gehoord van...?
Did you hear it?
Heb je het gehoord?
heard
hoorde
sold
verkocht
met
ontmoette
paid
betaalde
Who paid for it?
Wie heeft ervoor betaald?
rang
belde
said
zei
saw
zag
Did you already see it?
Heb je het al gezien?
I already saw it.
Ik heb het al gezien.
sat
zat