Leer de verleden tijd duurvorm (Past Continuous) in het Engels. Zinnen die beschrijven wat er gebeurde tijdens een andere actie in het verleden. Een essentiële set voor het vertellen van verhalen.
I was working when you called.
Ik was aan het werk toen je belde.
She was reading a book.
Zij was een boek aan het lezen.
They were playing football when it rained.
Zij waren aan het voetballen toen het regende.
What were you doing at 8 PM?
Wat was je om acht uur 's avonds aan het doen?
He was not sleeping.
Hij was niet aan het slapen.
The children were watching TV when I arrived.
De kinderen waren tv aan het kijken toen ik aankwam.
Were you listening to music?
Was je naar muziek aan het luisteren?
I was not watching that movie.
Ik was die film niet aan het kijken.
She was writing an email when the power went out.
Zij was een e-mail aan het schrijven toen de stroom uitviel.
Was he cooking dinner at 7 PM?
Was hij om zeven uur 's avonds het avondeten aan het koken?
We were learning English at that time.
Wij waren op dat moment Engels aan het leren.
The sun was shining all morning.
De zon scheen de hele ochtend.
Were they talking on the phone while you were here?
Waren zij aan het bellen terwijl jij hier was?
My mother was cooking dinner.
Mijn moeder was avondeten aan het koken.
I was not feeling well that day.
Ik voelde me die dag niet lekker.
Was she studying when you called?
Was ze aan het leren toen je belde?
The cat was sleeping on the sofa.
De kat lag op de bank te slapen.
What was happening there?
Wat gebeurde er daar?
They were not answering their phones.
Zij namen hun telefoons niet op.
Was it raining when you left?
Regende het toen je wegging?
He was driving carefully.
Hij reed voorzichtig.
We were having dinner when the guests arrived.
We zaten te eten toen de gasten aankwamen.
Were you coming to the party?
Kwam je ook naar het feest?
The baby was crying all night.
De baby was de hele nacht aan het huilen.
I was getting tired.
Ik werd moe.
Was he working when you visited?
Was hij aan het werk toen je op bezoek kwam?
The birds were singing beautifully.
De vogels zongen prachtig.
They were not waiting for us.
Zij wachtten niet op ons.
What were they saying about me?
Wat zeiden zij over mij?
She was getting ready for the party.
Zij was zich aan het klaarmaken voor het feest.
Was anyone home when you arrived?
Was er iemand thuis toen je aankwam?
The students were taking an exam.
De studenten waren een examen aan het maken.
I was not staying long.
Ik bleef niet lang.
Were you enjoying yourself at the concert?
Had jij het naar je zin op het concert?
He was wearing a blue shirt.
Hij droeg een blauw overhemd.
What was she looking at so intently?
Waar keek zij zo aandachtig naar?
The dog was barking at something.
De hond blafte ergens naar.
Were they leaving when you saw them?
Waren ze aan het weggaan toen je ze zag?
I was thinking about you.
Ik dacht aan jou.
She was not feeling comfortable in that situation.
Ze voelde zich niet op haar gemak in die situatie.