Leer de voltooid verleden tijd (Past Perfect) gebruiken voor iets dat gebeurde vóór een ander moment in het verleden. Onmisbaar als je een verhaal over het verleden vertelt.
I had worked there before I came here.
Ik had daar gewerkt voordat ik hier kwam.
She had gone to the beach before the rain.
Ze was naar het strand gegaan voordat het ging regenen.
They had played football before dinner.
Ze hadden voor het avondeten gevoetbald.
Had you seen the movie before I recommended it?
Had je de film gezien voordat ik hem aanraadde?
He had not understood before the explanation.
Hij had het voor de uitleg niet begrepen.
The sun had risen before we woke up.
De zon was opgekomen voordat wij wakker werden.
What had you done before the accident?
Wat had je voor het ongeluk gedaan?
I had not eaten before the movie.
Ik had voor de film niets gegeten.
She had bought a new car before the accident.
Ze had voor het ongeluk een nieuwe auto gekocht.
Had they called before you arrived?
Hadden zij gebeld voordat jij aankwam?
We had gone to Paris before the pandemic.
We waren voor de pandemie in Parijs geweest.
They had not answered before midnight.
Ze hadden voor middernacht niet geantwoord.
Had you ever been to Amsterdam before last year?
Was je vóór vorig jaar ooit in Amsterdam geweest?
My brother had started a job before he quit.
Mijn broer was aan een baan begonnen voordat hij ontslag nam.
Had you finished your homework before the deadline?
Had je je huiswerk voor de deadline afgemaakt?
It had rained before the game started.
Het had geregend voordat de wedstrijd begon.
She had not liked the food before she left.
Zij had het eten niet lekker gevonden voordat zij vertrok.
How long had you lived there before you moved?
Hoe lang had je daar gewoond voordat je verhuisde?
They had traveled to many countries before retiring.
Zij hadden naar veel landen gereisd voordat zij met pensioen gingen.
I had not known about this until then.
Ik had hier tot dan toe niets van geweten.
He had lived in many cities before settling.
Hij had in veel steden gewoond voordat hij zich vestigde.
Had you enjoyed the previous party?
Had je genoten van het vorige feest?
The store had been closed when I arrived.
De winkel was al dicht toen ik aankwam.
She had forgotten the meeting before she received the reminder.
Zij was de vergadering vergeten voordat zij de herinnering ontving.
What had they said before you arrived?
Wat hadden zij gezegd voordat jij aankwam?
I had not slept before the exam.
Ik had voor het examen niet geslapen.
Had you met him before that day?
Had je hem vóór die dag al ontmoet?
The meeting had started before he arrived.
De vergadering was begonnen voordat hij aankwam.
He had not wanted to come before the invitation.
Hij had voor de uitnodiging niet willen komen.
Where had you worked before you came here?
Waar had je gewerkt voordat je hier kwam?
They had stayed in many hotels before finding one they liked.
Ze hadden in veel hotels gelogeerd voordat ze er een vonden dat hun beviel.
I had not expected this to happen.
Ik had niet verwacht dat dit zou gebeuren.
Had you found the key before you called the locksmith?
Had je de sleutel gevonden voordat je de slotenmaker belde?
She had written many letters before she retired.
Zij had veel brieven geschreven voordat zij met pensioen ging.
The weather had been nice before the storm.
Het weer was voor de storm mooi geweest.
Had you heard the news before the announcement?
Had je het nieuws voor de aankondiging al gehoord?
They had not believed the story before proof came.
Zij hadden het verhaal niet geloofd voordat het bewijs kwam.
I had broken my arm before I took up sports.
Ik had mijn arm gebroken voordat ik begon met sporten.
What had happened before the meeting?
Wat was er voor de vergadering gebeurd?
He had arrived early before everyone else.
Hij was vroeg aangekomen, nog voor alle anderen.