Deze set oefent het gebruik van 'have', 'has' en 'had' in verschillende contexten, inclusief bezit, ontkenningen, vragen en verplichtingen.
I have a dog.
Ik heb een hond.
You have a nice car.
Je hebt een mooie auto.
We have a meeting today.
We hebben vandaag een vergadering.
They have two children.
Ze hebben twee kinderen.
He has a new phone.
Hij heeft een nieuwe telefoon.
She has long hair.
Ze heeft lang haar.
It has four legs.
Het heeft vier poten.
I had a headache yesterday.
Ik had gisteren hoofdpijn.
You had a good time at the party.
Je had het leuk op het feest.
We had a great vacation.
We hadden een geweldige vakantie.
They had a problem last week.
Ze hadden vorige week een probleem.
He had a car when he was young.
Hij had een auto toen hij jong was.
She had a dog before.
Ze had eerder een hond.
It had a scratch on it.
Er zat een kras op.
I don't have any money.
Ik heb geen geld.
You don't have time.
Je hebt geen tijd.
He doesn't have a job.
Hij heeft geen baan.
She doesn't have a sister.
Ze heeft geen zus.
We don't have any plans tonight.
We hebben vanavond geen plannen.
We didn't have a car.
We hadden geen auto.
They didn't have any food.
Ze hadden geen eten.
I didn't have enough time.
Ik had niet genoeg tijd.
Do you have a pen?
Heb je een pen?
Does he have a car?
Heeft hij een auto?
Does she have any brothers?
Heeft ze broers?
Do they have a house?
Hebben ze een huis?
Do we have class tomorrow?
Hebben we morgen les?
Did you have a good day?
Heb je een fijne dag gehad?
Did she have breakfast?
Heeft ze ontbeten?
Did they have fun?
Hebben ze plezier gehad?
Did he have any experience?
Had hij ervaring?
I have to go now.
Ik moet nu gaan.
She has to work tomorrow.
Ze moet morgen werken.
We had to wait a long time.
We moesten lang wachten.
They have to finish the project.
Ze moeten het project afmaken.