Leer going to gebruiken voor plannen die al vaststaan en voor voorspellingen op basis van wat je ziet. Een basisset om in het Engels over je plannen te praten.
I am going to work tomorrow.
Ik ga morgen werken.
She is going to the beach.
Zij gaat naar het strand.
They are going to play football.
Zij gaan voetballen.
Are you going to see the movie?
Ga je de film zien?
He is not going to understand.
Hij gaat het niet begrijpen.
The sun is going to rise.
De zon gaat opkomen.
What are you going to do tomorrow?
Wat ga je morgen doen?
I am not going to eat breakfast.
Ik ga niet ontbijten.
She is going to buy a new dress.
Zij gaat een nieuwe jurk kopen.
Is he going to call you?
Gaat hij je bellen?
We are going to the cinema.
Wij gaan naar de bioscoop.
They are not going to answer.
Zij gaan niet antwoorden.
Where are you going to go next weekend?
Waar ga je volgend weekend heen?
My brother is going to start a new job.
Mijn broer gaat een nieuwe baan beginnen.
Are you going to finish your homework?
Ga je je huiswerk afmaken?
It is going to rain tomorrow.
Het gaat morgen regenen.
She is not going to like this.
Zij gaat dit niet leuk vinden.
What time are you going to arrive?
Hoe laat ga je aankomen?
They are going to travel to Italy.
Zij gaan naar Italië reizen.
I am not going to know yet.
Ik zal het nog niet weten.
He is going to live in London.
Hij gaat in Londen wonen.
Are you going to enjoy the party?
Ga je van het feest genieten?
The store is going to close.
De winkel gaat sluiten.
She is going to forget her keys.
Zij gaat haar sleutels vergeten.
What are they going to say?
Wat gaan zij zeggen?
I am not going to sleep.
Ik ga niet slapen.
Are you going to meet him?
Ga je hem ontmoeten?
The meeting is going to start at 10 AM.
De vergadering begint om 10 uur 's ochtends.
He is not going to want to come.
Hij zal niet willen komen.
Where are you going to work?
Waar ga je werken?
They are going to stay at a hotel.
Zij gaan in een hotel verblijven.
I am not going to expect this.
Ik zal dit niet verwachten.
Are you going to find it?
Ga je het vinden?
She is going to write a letter.
Zij gaat een brief schrijven.
The weather is going to be nice.
Het weer wordt mooi.
Are you going to hear the news?
Ga je het nieuws horen?
They are not going to believe it.
Zij gaan het niet geloven.
I am going to break a promise.
Ik ga een belofte breken.
What is going to happen?
Wat gaat er gebeuren?
He is going to arrive late.
Hij gaat te laat aankomen.