Woorden over familie en relaties tussen mensen. Leer hoe je over familieleden en relaties in het buitenland praat. Een basisset voor elke Nederlandse leerling.
family
familie / gezin
parent
ouder
mother
moeder
father
vader
son
zoon
daughter
dochter
child
kind
brother
broer
sister
zus
sibling
broer of zus
grandmother
grootmoeder
grandfather
grootvader
grandparent
grootouder
aunt
tante
uncle
oom
cousin
neef / nicht
nephew
neef
niece
nicht
husband
man / echtgenoot
wife
echtgenote / vrouw
spouse
echtgenoot / partner
boyfriend
vriend (als partner)
girlfriend
vriendin (als partner)
fiancé
verloofde (man)
fiancée
verloofde (vrouw)
partner
partner
baby
baby
toddler
peuter / dreumes
teenager
tiener
adult
volwassene
elderly
oudere / bejaarde
love
liefde / houden van
care
zorg / bezorgdheid
respect
respect / waardering
trust
vertrouwen / vertrouwen op
friendship
vriendschap
friend
vriend / vriendin
best friend
beste vriend / beste vriendin
acquaintance
kennis
stranger
onbekende / vreemde
neighbor
buurman / buurvrouw
colleague
collega
boss
baas / manager
employee
werknemer
marriage
huwelijk
divorce
scheiding