Geavanceerde uitdrukkingen die moedertaalsprekers in het dagelijks leven gebruiken: spill the beans, beat around the bush, throw in the towel en meer. Taal op C1-niveau.
Spill the beans.
Je mond voorbijpraten: een geheim verklappen.
Beat around the bush.
Er omheen draaien: niet ter zake komen.
Throw in the towel.
De handdoek in de ring gooien: opgeven.
Burn bridges.
Relaties voorgoed verbreken: geen weg terug openlaten.
Bite the bullet.
Door de zure appel heen bijten: iets moeilijks onder ogen zien.
Kick the bucket.
Het loodje leggen: doodgaan (informeel).
Pull someone's leg.
Iemand voor de gek houden: iemand beetnemen.
Cost a fortune.
Een fortuin kosten.
Hit the sack.
Naar bed gaan.
Read between the lines.
Tussen de regels door lezen: een verborgen betekenis begrijpen.
Through thick and thin.
Door dik en dun: in elke situatie.
By the skin of one's teeth.
Op het nippertje: het scheelde maar weinig.
Steal someone's thunder.
Met de eer gaan strijken: iemands succes inpikken.
Throw a spanner in the works.
Roet in het eten gooien: een plan verstoren.
Jump on the bandwagon.
Op de rijdende trein springen: meedoen met een trend.
Add fuel to the fire.
Olie op het vuur gooien: een situatie erger maken.
Cut corners.
De kantjes ervan aflopen: slordig werk leveren.
Get cold feet.
Koudwatervrees krijgen: op het laatste moment terugkrabbelen.
Bend over backwards.
Je uiterste best doen: een enorme inspanning leveren.
Rule of thumb.
Vuistregel: een algemene regel.
Have a chip on your shoulder.
Lichtgeraakt zijn: je snel tekortgedaan voelen en wrok koesteren.
Caught red-handed.
Op heterdaad betrapt.
A blessing in disguise.
Een geluk bij een ongeluk: iets slechts dat goed uitpakt.
Two peas in a pod.
Als twee druppels water: sterk op elkaar lijken.
When pigs fly.
Met sint-juttemis: nooit.