Deze set oefent de meestvoorkomende Engelse werkwoorden en hun gebruik in eenvoudige zinnen.
to be
zijn
to have
hebben
to do
doen
to go
gaan
to come
komen
to see
zien
to hear
horen
to speak
spreken
to say
zeggen
to know
weten, kennen
to think
denken
to want
willen
to need
nodig hebben
to like
leuk vinden
to love
houden van
to eat
eten
to drink
drinken
to sleep
slapen
to work
werken
to study
studeren, leren
to read
lezen
to write
schrijven
to play
spelen
to run
rennen
to walk
lopen
to sit
zitten
to stand
staan
to give
geven
to take
nemen, pakken
to help
helpen
I want to be happy.
Ik wil gelukkig zijn.
I like to do my homework.
Ik doe graag mijn huiswerk.
I want to go home.
Ik wil naar huis gaan.
I'm happy to come today.
Ik ben blij dat ik vandaag kom.
I want to see the movie.
Ik wil de film zien.
I want to speak English.
Ik wil Engels spreken.
I need to say something.
Ik moet iets zeggen.
I want to know the answer.
Ik wil het antwoord weten.
I like to think about it.
Ik denk er graag over na.
I want to eat now.
Ik wil nu eten.
I need to drink water.
Ik moet water drinken.
I want to sleep.
Ik wil slapen.
I need to work tomorrow.
Ik moet morgen werken.
I want to study English.
Ik wil Engels studeren.
I like to read books.
Ik lees graag boeken.
I need to write a letter.
Ik moet een brief schrijven.
Children like to play.
Kinderen spelen graag.
I want to run fast.
Ik wil snel rennen.
I like to walk in the park.
Ik wandel graag in het park.
It's nice to sit here.
Het is fijn om hier te zitten.
I need to stand up.
Ik moet opstaan.
I want to give a gift.
Ik wil een cadeau geven.
I need to take my bag.
Ik moet mijn tas pakken.
I want to help you.
Ik wil je helpen.