Een uitgebreide oefening van alle Engelse tijden. Gemengde zinnen die de juiste tijd en vertaling vereisen. Uitstekend voor volledige beheersing van de taal.
I eat breakfast every morning, but I haven't eaten today yet.
Ik eet elke ochtend ontbijt, maar ik heb vandaag nog niet gegeten.
She was reading when I called her yesterday.
Zij was aan het lezen toen ik haar gisteren belde.
They will play football tomorrow, and they have been training for weeks.
Zij zullen morgen voetballen, en zij trainen al weken.
Did you see the movie? I saw it last week.
Heb je de film gezien? Ik heb hem vorige week gezien.
He doesn't understand what you are saying.
Hij begrijpt niet wat je zegt.
By next year, I will have worked here for five years.
Volgend jaar zal ik hier vijf jaar gewerkt hebben.
She had finished her homework before she went out.
Zij had haar huiswerk afgemaakt voordat zij uitging.
What were you doing at 8 PM yesterday?
Wat was je gisteren om 20:00 uur aan het doen?
I am going to travel next month, but I haven't booked yet.
Ik ga volgende maand reizen, maar ik heb nog niet geboekt.
They were playing while we were watching.
Zij waren aan het spelen terwijl wij aan het kijken waren.
Do you like coffee? I don't, but I drink it anyway.
Houd je van koffie? Ik niet, maar ik drink het toch.
He will have finished before she arrives.
Hij zal klaar zijn voordat zij aankomt.
We have been living here for three years now.
Wij wonen hier nu al drie jaar.
She studies English every day and has improved greatly.
Zij studeert elke dag Engels en is enorm verbeterd.
Did they say they would come? I don't remember.
Zeiden ze dat ze zouden komen? Ik weet het niet meer.
I haven't seen him since we graduated.
Ik heb hem niet meer gezien sinds we zijn afgestudeerd.
They are going to the beach tomorrow. They go every summer.
Zij gaan morgen naar het strand. Zij gaan elke zomer.
While I was working, she was shopping.
Terwijl ik aan het werken was, was zij aan het winkelen.
He will work harder if he wants to succeed.
Hij zal harder werken als hij wil slagen.
She has already eaten, so she won't eat again.
Zij heeft al gegeten, dus zij zal niet meer eten.
What were they talking about when you arrived?
Waarover hadden zij het toen jij aankwam?
I will have studied for 10 hours by the time of the exam.
Tegen het examen zal ik 10 uur gestudeerd hebben.
They don't go to school on Saturdays, they stay home.
Zij gaan op zaterdag niet naar school, zij blijven thuis.
Did you know that she had left before you called?
Wist je dat zij vertrokken was voordat jij belde?
I am listening to music right now. Do you hear it?
Ik luister nu naar muziek. Hoor je het?
She will be happy when she hears the news.
Zij zal blij zijn wanneer zij het nieuws hoort.
By the time you read this, I will have left.
Tegen de tijd dat je dit leest, zal ik vertrokken zijn.
They were very tired because they had worked all day.
Zij waren erg moe omdat zij de hele dag gewerkt hadden.
I have lived in Amsterdam for five years and I love it.
Ik woon al vijf jaar in Amsterdam en ik vind het geweldig.
What will you do if it rains tomorrow?
Wat ga je doen als het morgen regent?
She was sleeping when the phone rang.
Zij was aan het slapen toen de telefoon ging.
He has never traveled abroad, but he wants to.
Hij heeft nog nooit in het buitenland gereisd, maar hij wil wel.
They are planning to visit us next month.
Zij zijn van plan ons volgende maand te bezoeken.
I can't talk now because I am cooking dinner.
Ik kan nu niet praten, want ik ben het avondeten aan het koken.
She had already seen the movie when you invited her.
Zij had de film al gezien toen jij haar uitnodigde.
Will you have finished your project before the deadline?
Zul je je project vóór de deadline af hebben?
We go to the gym three times a week, and we have been doing this for a year.
Wij gaan drie keer per week naar de sportschool, en wij doen dit al een jaar.
If they had studied harder, they would have passed the exam.
Als zij harder hadden gestudeerd, zouden zij het examen gehaald hebben.
I was eating lunch when she arrived unexpectedly.
Ik was aan het lunchen toen zij onverwacht binnenkwam.
By next December, they will have been married for twenty years.
Komende december zijn zij twintig jaar getrouwd.
She doesn't like flying, so she takes the train.
Zij houdt niet van vliegen, dus zij neemt de trein.
Have you heard? They have just announced the winner.
Heb je het gehoord? Zij hebben zojuist de winnaar bekendgemaakt.
I am going to call you tomorrow, I promise.
Ik ga je morgen bellen, dat beloof ik.
They were watching TV when the power went out.
Zij waren televisie aan het kijken toen de stroom uitviel.
He will succeed if he tries harder.
Hij zal slagen als hij meer zijn best doet.
I have been trying to reach you all day.
Ik probeer je al de hele dag te bereiken.
She had lived abroad for ten years before returning home.
Zij had tien jaar in het buitenland gewoond voordat zij naar huis terugkeerde.
What are you planning to do next summer?
Wat ben je volgende zomer van plan?
They have been waiting for an hour, and they are still waiting.
Zij wachten al een uur, en zij wachten nog steeds.
He was sleeping soundly when the earthquake happened.
Hij sliep diep toen de aardbeving plaatsvond.