De meest essentiële academische woordenschat voor de TOEFL iBT. 45 woorden die herhaaldelijk voorkomen in de lees- en luistergedeelten.
advocate
voorstander, bepleiten: een zaak openlijk steunen.
alleviate
verlichten, verzachten: minder erg maken.
anomaly
afwijking, anomalie: iets wat afwijkt van het normale.
arbitrary
willekeurig: niet op een vaste regel gebaseerd.
ascertain
vaststellen, nagaan: met zekerheid achterhalen.
augment
vergroten, aanvullen: groter maken.
bias
vooroordeel, vertekening: een vooringenomen kijk.
candid
openhartig, eerlijk: oprecht en direct.
coherent
samenhangend, begrijpelijk: logisch met elkaar verbonden.
compelling
overtuigend: heel overtuigend.
comprise
omvatten, bestaan uit: samengesteld zijn uit.
concise
beknopt: kort en duidelijk.
conform
zich aanpassen, zich schikken naar: regels volgen.
contemplate
overwegen, nadenken over: diep over iets nadenken.
conventional
conventioneel, gebruikelijk: gebaseerd op traditie.
credible
geloofwaardig: te geloven.
crucial
cruciaal, essentieel: uiterst belangrijk.
cumulative
cumulatief, oplopend: in de loop van de tijd toenemend.
deduce
afleiden: logisch concluderen.
depict
afbeelden, beschrijven: in beeld of woorden weergeven.
diminish
verminderen, afnemen: kleiner maken of worden.
disperse
verspreiden, uiteengaan: over een groot gebied verspreiden.
diverse
divers, gevarieerd: met veel verscheidenheid.
elaborate
uitgebreid / toelichten: gedetailleerd, of iets in detail uitleggen.
emerge
verschijnen, tevoorschijn komen: zichtbaar worden.
empirical
empirisch: gebaseerd op waarneming.
encompass
omvatten, inhouden: insluiten.
endorse
goedkeuren, steunen: openlijk achter iets staan.
enhance
verbeteren, versterken: beter maken.
exemplify
illustreren, een voorbeeld zijn van: een typisch voorbeeld zijn.
exhaustive
uitputtend, volledig: alles omvattend.
facilitate
vergemakkelijken: makkelijker maken.
fluctuate
schommelen, fluctueren: onregelmatig stijgen en dalen.
futile
nutteloos, vergeefs: zonder resultaat.
hypothesis
hypothese, veronderstelling: een voorlopige verklaring.
impartial
onpartijdig, neutraal: eerlijk, zonder vooroordeel.
imply
impliceren, suggereren: indirect laten doorschemeren.
incentive
stimulans, prikkel: iets wat je aanzet tot actie.
infer
afleiden: concluderen uit bewijs.
initiate
initiëren, beginnen: in gang zetten.
innovative
innovatief, vernieuwend: met nieuwe methoden.
intricate
ingewikkeld, complex: zeer gedetailleerd en gecompliceerd.
intrinsic
intrinsiek, wezenlijk: van nature eigen aan iets.
lucid
helder, duidelijk: makkelijk te begrijpen.
meticulous
nauwgezet, zorgvuldig: heel precies.