Deze set oefent de basiswerkwoorden 'to be', 'to have', 'to like', 'to go' en 'to do' in het Engels.
I am
ik ben
You are
jij bent
He is
hij is
She is
zij is
We are
wij zijn
They are
zij zijn
I have
ik heb
You have
jij hebt
He has
hij heeft
She has
zij heeft
We have
wij hebben
They have
zij hebben
I like
ik hou van, ik vind (iets) leuk
You like
jij houdt van, jij vindt (iets) leuk
He likes
hij houdt van, hij vindt (iets) leuk
She likes
zij houdt van, zij vindt (iets) leuk
We like
wij houden van, wij vinden (iets) leuk
They like
zij houden van, zij vinden (iets) leuk
I go
ik ga
You go
jij gaat
He goes
hij gaat
She goes
zij gaat
We go
wij gaan
They go
zij gaan
I do
ik doe
You do
jij doet
He does
hij doet
She does
zij doet
We do
wij doen
They do
zij doen