Deze set oefent woordenschat en zinnen die te maken hebben met uitstelgedrag en productiviteit.
to procrastinate
taken uitstellen / treuzelen
procrastination
uitstelgedrag
to postpone
uitstellen
deadline
uiterste datum / deadline
distraction
afleiding
productivity
productiviteit
to cope with
omgaan met
priorities
prioriteiten
backlog
achterstand (van taken die zich hebben opgestapeld)
to clutter up
volproppen / rommelig worden
willpower
wilskracht
trigger
aanleiding / trigger
habit
gewoonte
pattern
gedragspatroon
reward
beloning
to break the habit of
een gewoonte afleren
to have nothing to do with
er niets mee te maken hebben
to be stressed out
gestrest zijn / erg gestrest zijn
to chicken out
op het laatste moment terugkrabbelen uit angst
to beat yourself up
streng zijn voor jezelf / jezelf verwijten maken
to book an appointment
een afspraak maken
to postpone it
dat uitstellen
pleasant
aangenaam
harm
schade
performance
prestaties
urgent
dringend
force
kracht / dwingen
I always procrastinate when I have a lot of work to do.
Ik stel altijd dingen uit als ik veel werk te doen heb.
I need to stop postponing my assignments.
Ik moet stoppen met het uitstellen van mijn opdrachten.
I have a deadline tomorrow and I haven't started yet.
Ik heb morgen een deadline en ik ben nog niet begonnen.
My phone is a huge distraction when I try to study.
Mijn telefoon is een enorme afleiding als ik probeer te studeren.
I want to improve my productivity at work.
Ik wil mijn productiviteit op het werk verbeteren.
I find it hard to cope with so many responsibilities.
Ik vind het moeilijk om met zoveel verantwoordelijkheden om te gaan.
I need to set my priorities before I start the project.
Ik moet mijn prioriteiten stellen voordat ik aan het project begin.
I have a huge backlog of emails to answer.
Ik heb een enorme achterstand aan e-mails die ik moet beantwoorden.
My messy desk is cluttered up with papers.
Mijn rommelige bureau ligt vol met papieren.
I don't have enough willpower to start working right now.
Ik heb niet genoeg wilskracht om nu te beginnen met werken.
Stress is usually the trigger for my procrastination.
Stress is meestal de trigger voor mijn uitstelgedrag.
I'm trying to break a bad habit of checking my phone.
Ik probeer de slechte gewoonte af te leren om steeds op mijn telefoon te kijken.
I always fall into the same pattern when I avoid work.
Ik val altijd in hetzelfde patroon als ik werk vermijd.
I give myself a small reward after finishing a task.
Ik geef mezelf een kleine beloning nadat ik een taak heb afgerond.
I'm trying to break the habit of watching TV before bed.
Ik probeer de gewoonte af te leren om tv te kijken voor het slapengaan.
This decision has nothing to do with my health.
Deze beslissing heeft niets te maken met mijn gezondheid.
I'm completely stressed out because of the exam tomorrow.
Ik ben helemaal gestrest door het examen van morgen.
I was going to go skydiving, but I chickened out.
Ik zou gaan skydiven, maar ik krabbelde terug uit angst.
I always beat myself up when I fail at something.
Ik ben altijd streng voor mezelf als iets me niet lukt.
I don't know how to get rid of this stress.
Ik weet niet hoe ik van deze stress af moet komen.
I need to acknowledge my stress instead of ignoring it.
Ik moet mijn stress erkennen in plaats van die te negeren.
I try to interrupt the habit before it takes over.
Ik probeer de gewoonte te onderbreken voordat deze de overhand krijgt.
I know that procrastination affects my performance at work.
Ik weet dat uitstelgedrag mijn prestaties op het werk beïnvloedt.
I often avoid tasks that seem unpleasant to me.
Ik vermijd vaak taken die me onaangenaam lijken.
I sometimes justify my laziness by calling it procrastination.
Soms rechtvaardig ik mijn luiheid door het uitstelgedrag te noemen.
I need to organize my day better to avoid procrastinating.
Ik moet mijn dag beter organiseren om uitstelgedrag te voorkomen.
I feel relieved when I finally get rid of my backlog.
Ik voel me opgelucht als ik eindelijk van mijn achterstand af ben.
I usually surf the internet instead of getting down to work.
Ik surf meestal op internet in plaats van aan het werk te gaan.
I know that this task has a deadline, but I keep postponing it.
Ik weet dat deze taak een deadline heeft, maar ik blijf hem uitstellen.
I want to relieve my stress in healthier ways.
Ik wil mijn stress op gezondere manieren verlichten.