Leer de present simple in het Engels met voorbeelden en oefeningen. Een basisset voor Nederlandstaligen die Engels leren, met bevestigende, ontkennende en vragende zinnen.
I work every day.
Ik werk elke dag.
She lives in Amsterdam.
Zij woont in Amsterdam.
They play football on Sundays.
Zij voetballen op zondag.
Do you like coffee?
Houd je van koffie?
He doesn't speak French.
Hij spreekt geen Frans.
The sun rises in the east.
De zon komt op in het oosten.
We eat dinner at 7 PM.
Wij eten om 7 uur 's avonds.
Does she study English?
Studeert zij Engels?
I don't drink tea.
Ik drink geen thee.
What do you do for work?
Wat doe je voor werk?
My brother works as a teacher.
Mijn broer werkt als leraar.
They don't like spicy food.
Zij houden niet van pittig eten.
Where do you live?
Waar woon je?
The bus arrives at 8 o'clock.
De bus komt om 8 uur aan.
She doesn't like horror movies.
Zij houdt niet van horrorfilms.
Do they speak German?
Spreken zij Duits?
I study English three times a week.
Ik studeer drie keer per week Engels.
He goes to the gym every morning.
Hij gaat elke ochtend naar de sportschool.
What time do you wake up?
Hoe laat word je wakker?
She doesn't drink alcohol.
Zij drinkt geen alcohol.
Do you like swimming?
Houd je van zwemmen?
They visit their grandparents on weekends.
Zij bezoeken hun grootouders in het weekend.
I don't eat meat.
Ik eet geen vlees.
Does he play the guitar?
Speelt hij gitaar?
My sister works in a hospital.
Mijn zus werkt in een ziekenhuis.
The shops close at 9 PM.
De winkels sluiten om 9 uur 's avonds.
Do you understand English?
Begrijp je Engels?
He doesn't like winter.
Hij houdt niet van de winter.
We usually eat lunch at noon.
Wij lunchen meestal om twaalf uur.
Where do you come from?
Waar kom je vandaan?
She speaks three languages.
Zij spreekt drie talen.
Do they like pizza?
Houden zij van pizza?
I don't smoke.
Ik rook niet.
He lives near the beach.
Hij woont bij het strand.
What do you do on weekends?
Wat doe je in het weekend?
The store opens at 10 AM.
De winkel opent om 10 uur 's ochtends.
Does she have a car?
Heeft zij een auto?
They don't understand Dutch.
Zij begrijpen geen Nederlands.
I usually have tea in the morning.
Ik drink meestal thee in de ochtend.
What time do you go to bed?
Hoe laat ga je naar bed?