Leer de present continuous in het Engels: acties die nu bezig zijn. Met bevestigende, ontkennende en vragende zinnen voor Nederlandstaligen.
I am working right now.
Ik ben nu aan het werk.
She is reading a book.
Zij is een boek aan het lezen.
They are playing football.
Zij zijn aan het voetballen.
What are you doing?
Wat ben je aan het doen?
He is not sleeping.
Hij is niet aan het slapen.
The children are watching TV.
De kinderen zijn televisie aan het kijken.
Are you listening to me?
Luister je naar mij?
I am not watching this movie.
Ik ben deze film niet aan het kijken.
She is writing an email.
Zij is een e-mail aan het schrijven.
Is he cooking dinner?
Is hij het avondeten aan het koken?
We are learning English.
Wij zijn Engels aan het leren.
The sun is shining.
De zon schijnt.
Are they talking on the phone?
Zijn zij aan het bellen?
My mother is cooking.
Mijn moeder is aan het koken.
I am not feeling well.
Ik voel me niet goed.
Is she studying?
Is zij aan het studeren?
The cat is sleeping on the sofa.
De kat is op de bank aan het slapen.
What is happening here?
Wat gebeurt hier?
They are not answering.
Zij antwoorden niet.
Is it raining outside?
Regent het buiten?
He is driving a car.
Hij rijdt auto.
We are having dinner.
Wij zijn aan het avondeten.
Are you coming with me?
Kom je met me mee?
The baby is crying.
De baby is aan het huilen.
I am getting tired.
Ik word moe.
Is he working today?
Werkt hij vandaag?
The birds are singing.
De vogels zijn aan het zingen.
They are not waiting.
Zij zijn niet aan het wachten.
What are they saying?
Wat zeggen zij?
She is getting ready.
Zij is zich aan het klaarmaken.
Is anyone home?
Is er iemand thuis?
The students are taking an exam.
De leerlingen zijn een examen aan het maken.
I am not staying long.
Ik blijf niet lang.
Are you enjoying yourself?
Heb je het naar je zin?
He is wearing a blue shirt.
Hij draagt een blauw overhemd.
What is she looking at?
Waar kijkt zij naar?
The dog is barking loudly.
De hond is luid aan het blaffen.
Are they leaving now?
Vertrekken zij nu?
I am thinking about you.
Ik denk aan jou.
She is not feeling comfortable.
Zij voelt zich niet op haar gemak.