Deze set oefent de Present Continuous en woordenschat over de seizoenen.
I see kids swimming in the lake in summer.
Ik zie in de zomer kinderen in het meer zwemmen.
I see a girl jumping into the water.
Ik zie een meisje in het water springen.
I see children playing with a ball in the water.
Ik zie kinderen met een bal in het water spelen.
I see a duck near the lake.
Ik zie een eend bij het meer.
I see a man fishing by the water.
Ik zie een man vissen bij het water.
I see people riding bikes in spring.
Ik zie in de lente mensen fietsen.
I see sheep on the grass.
Ik zie schapen op het gras.
I see a rainbow in the sky.
Ik zie een regenboog in de lucht.
I see kids playing tennis.
Ik zie kinderen tennissen.
I see people walking on the path.
Ik zie mensen op het pad lopen.
I see a woman sleeping under an umbrella.
Ik zie een vrouw slapen onder een parasol.
I see a boy skating on the bridge.
Ik zie een jongen skaten op de brug.
I see children eating ice cream.
Ik zie kinderen ijs eten.
I see a dog walking with a woman.
Ik zie een hond met een vrouw lopen.
I see kids making pumpkins for Halloween in fall.
Ik zie in de herfst kinderen pompoenen maken voor Halloween.
I see a girl picking apples from a tree.
Ik zie een meisje appels plukken van een boom.
I see a boy cleaning the leaves.
Ik zie een jongen de bladeren opruimen.
I see people sitting near the fire.
Ik zie mensen bij het vuur zitten.
I see kids eating marshmallows in fall.
Ik zie in de herfst kinderen marshmallows eten.
I see children ice skating in winter.
Ik zie in de winter kinderen schaatsen.
I see a girl skiing in the snow.
Ik zie een meisje skiën in de sneeuw.
I see children sledding in winter.
Ik zie in de winter kinderen sleeën.
I see kids making a snowman.
Ik zie kinderen een sneeuwpop maken.
I see children throwing snowballs.
Ik zie kinderen sneeuwballen gooien.
I see snow on the trees and houses.
Ik zie sneeuw op de bomen en huizen.
I see the sun shining in summer.
Ik zie in de zomer de zon schijnen.
The boy is flying a kite.
De jongen laat een vlieger op.
The man is picking mushrooms.
De man plukt paddenstoelen.
The family is carving pumpkins.
Het gezin snijdt pompoenen uit.
The girl is on the ladder picking oranges.
Het meisje staat op de ladder en plukt sinaasappels.
The woman is sleeping under the umbrella.
De vrouw slaapt onder de parasol.
The children are swimming in the lake.
De kinderen zwemmen in het meer.
The boy is jumping into the water.
De jongen springt in het water.
The kids are playing with a ball in the water.
De kinderen spelen met een bal in het water.
The duck is watching the children.
De eend kijkt naar de kinderen.
The man is fishing by the lake.
De man vist bij het meer.
The children are riding their bikes.
De kinderen rijden op hun fiets.
The sheep are eating grass.
De schapen eten gras.
The rainbow is in the sky.
De regenboog staat aan de hemel.
The kids are playing tennis.
De kinderen tennissen.
The people are walking on the path.
De mensen lopen op het pad.
The boy is skating on the bridge.
De jongen skatet op de brug.
The children are buying ice cream.
De kinderen kopen ijs.
The woman is walking her dog.
De vrouw laat haar hond uit.
The boy is carrying a pumpkin.
De jongen draagt een pompoen.
The girl is raking leaves.
Het meisje harkt bladeren.
The people are sitting around the fire.
De mensen zitten rond het vuur.
The children are roasting marshmallows.
De kinderen roosteren marshmallows.
The kids are ice skating on the ice.
De kinderen schaatsen op het ijs.
The girl is skiing in the snow.
Het meisje skiet in de sneeuw.
The children are sledding down the hill.
De kinderen sleeën van de heuvel af.
The kids are making a snowman.
De kinderen maken een sneeuwpop.
The children are throwing snowballs.
De kinderen gooien sneeuwballen.
The sun is shining.
De zon schijnt.
The birds are in the nest.
De vogels zijn in het nest.
The houses are covered with snow.
De huizen zijn bedekt met sneeuw.
The children are having fun outside.
De kinderen vermaken zich buiten.