Modale werkwoorden om iets af te leiden of te vermoeden: must, might, could, can't. Het verschil tussen must be en must have been. Engels op gevorderd niveau voor Nederlandstaligen.
He must be tired (now).
Hij is vast moe (nu): veronderstelling in het heden.
He must have been tired (yesterday).
Hij was vast moe (gisteren): veronderstelling in het verleden.
She might be at home.
Het kan zijn dat ze thuis is: mogelijkheid.
She might have left already.
Het kan zijn dat ze al vertrokken is: mogelijkheid in het verleden.
It can't be true.
Het kan niet waar zijn: dat is uitgesloten.
It can't have been him.
Hij kan het niet geweest zijn: uitgesloten in het verleden.
They could be lost.
Het kan zijn dat ze verdwaald zijn.
He may know the answer.
Het kan zijn dat hij het antwoord weet.
She may have forgotten.
Het kan zijn dat ze het vergeten is.
You must be joking!
Je maakt zeker een grapje! (grote zekerheid)
He must have studied a lot.
Hij heeft vast veel gestudeerd.
It might rain later.
Het kan later regenen.
She could have called.
Ze had kunnen bellen (maar deed het niet).
They must be on their way.
Ze zijn vast onderweg.
He can't have known about it.
Het kan niet zijn dat hij ervan wist.
She might be sleeping right now.
Het kan zijn dat ze nu slaapt.
I must have left my keys at home.
Ik heb mijn sleutels vast thuis laten liggen.
They couldn't have arrived yet.
Ze kunnen nog niet aangekomen zijn.
It may be too late.
Het kan te laat zijn.
He must work very hard.
Hij werkt vast heel hard.
She might not come.
Het kan zijn dat ze niet komt.
You must have seen the news.
Je hebt vast het nieuws gezien.
They can't be serious.
Ze kunnen het toch niet menen.
He could be the new manager.
Het kan zijn dat hij de nieuwe manager is.
She must have missed the bus.
Ze heeft vast de bus gemist.