Wanneer gebruik je have en wanneer has? 42 oefenzinnen met flashcards en quizzen, gratis grammaticaoefening Engels voor Nederlandstaligen.
I have a new bike.
Ik heb een nieuwe fiets.
She has a blue bag.
Zij heeft een blauwe tas.
He has a small dog.
Hij heeft een kleine hond.
We have a white cat.
Wij hebben een witte kat.
They have a nice apartment.
Zij hebben een mooi appartement.
I have a big brother.
Ik heb een grote broer.
She has a little sister.
Zij heeft een klein zusje.
He has a good friend.
Hij heeft een goede vriend.
We have a nice neighbor.
Wij hebben een aardige buurman.
They have an excellent teacher.
Zij hebben een uitstekende leraar.
I have a lesson at ten.
Ik heb om tien uur les.
She has an appointment with the doctor.
Zij heeft een afspraak bij de dokter.
He has an interview tomorrow.
Hij heeft morgen een sollicitatiegesprek.
We have a meeting today.
Wij hebben vandaag een vergadering.
They have a vacation in summer.
Zij hebben vakantie in de zomer.
I don't have a key.
Ik heb geen sleutel.
She doesn't have a phone.
Zij heeft geen telefoon.
He doesn't have a car.
Hij heeft geen auto.
We don't have free time.
Wij hebben geen vrije tijd.
They don't have a place to sit.
Zij hebben geen plek om te zitten.
Do you have a nephew?
Heb jij een neef?
Does she have a niece?
Heeft zij een nicht?
Does he have a rich uncle?
Heeft hij een rijke oom?
Do you have a good idea?
Hebben jullie een goed idee?
Do they have a plan for the evening?
Hebben zij een plan voor de avond?
I have an important task.
Ik heb een belangrijke taak.
She has a difficult exam.
Zij heeft een moeilijk examen.
He has an allergy to peanuts.
Hij heeft een pinda-allergie.
We have an unexpected guest.
Wij hebben een onverwachte gast.
They have a wedding this weekend.
Zij hebben dit weekend een bruiloft.
I have a laptop.
Ik heb een laptop.
She has a delicious cookie.
Zij heeft een heerlijk koekje.
He has a beautiful horse.
Hij heeft een mooi paard.
I have a nice landlord.
Ik heb een aardige huisbaas.
She has a new neighbor.
Zij heeft een nieuwe buurvrouw.
He has a smart colleague.
Hij heeft een slimme collega.
We have a new customer.
Wij hebben een nieuwe klant.
They have a good employee.
Zij hebben een goede werknemer.
I have a red umbrella.
Ik heb een rode paraplu.
She has an orange tree in the garden.
Zij heeft een sinaasappelboom in de tuin.
They have a private island.
Zij hebben een privé-eiland.
I have an elderly grandmother.
Ik heb een oma op leeftijd.