Deze set flashcards helpt je Engelse synoniemen en hun betekenis in het Nederlands te leren.
Buy / Purchase
kopen, aanschaffen
Help / Assist
helpen, assisteren
Start / Begin
beginnen
Stop / Cease
stoppen, ophouden
Want / Desire
willen, verlangen naar
Change / Alter
veranderen, wijzigen
Choose / Select
kiezen, selecteren
Show / Demonstrate
laten zien, demonstreren
Answer / Reply
antwoorden, beantwoorden
Ask / Inquire
vragen, informeren
Finish / Complete
afmaken, voltooien
Get / Obtain
krijgen, verkrijgen
Keep / Preserve
houden, bewaren
Live / Reside
wonen, woonachtig zijn
Look / Glance
kijken, een blik werpen
Make / Create
maken, creëren
Tell / Inform
vertellen, informeren
Use / Utilize
gebruiken, benutten
Understand / Comprehend
begrijpen, bevatten
Think / Ponder
denken, overwegen
Remember / Recall
onthouden, zich herinneren
Explain / Clarify
uitleggen, verduidelijken
Gather / Collect
verzamelen, bijeenbrengen
Hide / Conceal
verbergen, verstoppen
Leave / Depart
vertrekken, weggaan
Permit / Allow
toestaan, toelaten
Protect / Defend
beschermen, verdedigen
Require / Demand
vereisen, eisen
Solve / Resolve
oplossen, beslechten (een conflict)
Try / Attempt
proberen, een poging doen
Big / Huge
groot, enorm
Small / Tiny
klein, piepklein
Smart / Intelligent
slim, intelligent
Happy / Joyful
blij, vrolijk
Sad / Unhappy
verdrietig, ongelukkig
Angry / Furious
boos, woedend
Fast / Quick
snel, vlug
Important / Significant
belangrijk, aanzienlijk
New / Modern
nieuw, modern
Old / Ancient
oud, eeuwenoud
Beautiful / Gorgeous
mooi, prachtig
Hard / Difficult
moeilijk, zwaar
Easy / Simple
gemakkelijk, eenvoudig
Rich / Wealthy
rijk, welvarend
Poor / Destitute
arm, behoeftig
Safe / Secure
veilig, beveiligd
Scared / Frightened
bang, angstig
Sure / Certain
zeker, overtuigd
Tired / Exhausted
moe, uitgeput
Wrong / Incorrect
fout, incorrect
Correct / Accurate
correct, nauwkeurig
Strange / Odd
vreemd, raar
Funny / Humorous
grappig, humoristisch
Kind / Generous
vriendelijk, gul
Famous / Renowned
beroemd, gerenommeerd
Polite / Courteous
beleefd, hoffelijk
Rude / Impolite
onbeleefd, grof
Quiet / Silent
stil, geruisloos
Dangerous / Risky
gevaarlijk, riskant
Main / Chief
belangrijkste, voornaamste