Deze set oefent woordenschat en zinnen die je nodig hebt voor het bestuderen van menselijke anatomie en dissectie.
Anatomy
anatomie
Dissection
dissectie / ontleding
Fascia
fascie / bindweefselvlies
Artery
slagader
Arterial wall
slagaderwand
Joint capsule
gewrichtskapsel
Muscle belly
spierbuik
Periosteum
beenvlies / periost
Tendon
pees
Attachment
aanhechtingspunt / hechting
Nerve
zenuw
Nerve pathway
zenuwbaan
Origin
oorsprong / beginpunt
Specimen
preparaat (voor studie)
Layer
laag
Superficial layer
oppervlakkige laag
Deep-tissue structures
diepe weefselstructuren
Vessel
bloedvat
Anatomical landmarks
anatomische oriëntatiepunten
Connective tissue
bindweefsel
Blunt tool
bot instrument
Retractor
wondhaak / spreider
Scalpel
scalpel / operatiemes
Instrument
instrument / gereedschap
Line of sight
zichtlijn
To score
inkerven
To switch
wisselen / overschakelen (tussen instrumenten)
To dissect
dissecteren / ontleden
To reach
bereiken
To make (an incision)
een incisie maken
To expose
blootleggen
To apply (tension)
spanning uitoefenen
To pull back
terugtrekken
To cut
snijden
To avoid
vermijden
To tear
scheuren
To place
plaatsen / leggen
To scrape
schrapen
To clean away
wegnemen / schoonprepareren
To isolate
isoleren
To reflect
terugslaan / terugvouwen (weefsel)
To distinguish
onderscheiden / herkennen
To transect
doorsnijden
To separate
scheiden
To trace
volgen / traceren
Blunt
bot
Initial
eerste, aanvankelijk
Incision
incisie / snee
Deep
diep
Far
ver
Clean
schoon
Safest
het veiligst
Specific
specifiek / bepaald
Correct
correct / juist
Preferred
gewenst, bij voorkeur gekozen
Standard
standaard / gebruikelijk
Delicate
teer / kwetsbaar
Surrounding
omliggend / omgevend
Intact
intact / onbeschadigd
Incrementally
geleidelijk / stapsgewijs