Deze set oefent alledaagse Engelse zinnen voor Nederlandse sprekers.
How was your day?
Hoe was je dag?
It was great.
Het was geweldig.
What are you doing?
Wat ben je aan het doen?
I'm working.
Ik ben aan het werk.
I'm studying.
Ik ben aan het studeren.
Where are you going?
Waar ga je heen?
I'm going home.
Ik ga naar huis.
What would you like to eat?
Wat zou je willen eten?
I'd like a coffee.
Ik wil graag een koffie.
Can I sit here?
Mag ik hier zitten?
Sure, go ahead.
Zeker, ga je gang.
Do you have any plans?
Heb je plannen?
Not really.
Niet echt.
That sounds good.
Dat klinkt goed.
I agree.
Ik ben het ermee eens.
I don't agree.
Ik ben het er niet mee eens.
Maybe later.
Misschien later.
I'm busy right now.
Ik ben nu bezig.
No problem.
Geen probleem.
Take care.
Pas goed op jezelf.
What happened?
Wat is er gebeurd?
Nothing special.
Niets bijzonders.
I like it.
Ik vind het leuk.
I don't like it.
Ik vind het niet leuk.
That's interesting.
Dat is interessant.
Really?
Echt waar?
Good idea!
Goed idee!
I'm not sure.
Ik weet het niet zeker.
Let's talk later.
We praten later verder.
See you tomorrow.
Tot morgen.